Rita (wordt vervolgd)



Het was zondagochtend en ik stond op. Meneer Gerritsen lag diep te slapen, want hij had nachtdienst gehad. Zachtjes sloop ik door het huis en deed de deur tussen de slaapkamer en de woonkamer dicht. Eigenlijk was de ochtend alweer voorbij, want het was 11 uur.
Gisteren was het behoorlijk druk geweest en ondanks een goede nacht slapen, voelde ik me daar nog steeds moe van. Uit de hele stad waren drommen mensen naar ons terras gestroomd. Chanson had een zware ochtend gehad en het bleef lang een chaos in de keuken. Repeat was vrij en dat was natuurlijk een gemis.
Alice kwam langs met een vriendin in een witte bolletjesjurk en streek neer op het terras. Bij alles wat Alice vertelde, zei ze: ‘Oh, wat èrruuug!’ Ze kwekte over haar oma die in Zweden woonde en geen douche had. Alleen een sauna en een meer. En hoe haar stadse vriendinnen dat èrruuug hadden gevonden.
Opeens hoorden we geschreeuw in de zaak. We renden naar binnen. Een man die een onverstaanbare taal sprak -Zweeds of Fins- stond in zijn onderbroek. Hij sloeg wild om zich heen en brabbelde maar door, om zijn punt duidelijk te maken. Maar wij verstonden er niks van. Alle sterke mannen stonden nu om hem heen en begonnen hem langzaam de deur uit te werken. Toen hij buiten kwam trok hij zijn broek maar weer aan en droop met zijn staart tussen de benen af. ‘Oh, wat èrrug’, zei het bolletjesmeisje.
Het was warm in de keuken. De mise-en-place keuken bevond zich dan ook in de kelder en de oven stond te loeien. Het aanrecht lag vol met kroppen sla: frisée, mâché en bietenblad. ‘Je moet de sla met liefde wassen’, zei Repeat. ‘Je pakt voorzichtig een blaadje. Dat spoel je aan de onderkant af, dan de bovenkant en dan de zijkanten. En dan pak je een doekje en dan dep je het voorzichtig droog.’ Repeat was een jongen uit het getto, die, dankzij zijn moeder, net op tijd eruitgesleept was en meegenomen naar Purmerend. Daar woonde hij nu met zijn zéér jonge vriendin, die erg van zonnebrillen hield. Hij noemde haar dan ook liefkozend Brilletje.
Chanson moest lachen. Chanson was een grote jongen die veel aan sport deed en de hele dag in de keuken liep te zingen. Chanson had een flinke kater overgehouden aan de wedstrijd Nederland-Argentinië waar hij, met Repeat en de rest van de keukenbrigade, heen geweest was. Hij was misselijk en stopte zich vol met allerlei snacks, die wij overgehouden hadden van een snackfeest. Alle snacks smaakten eigenlijk naar frikandel. Maar dan steeds met een ander smaakje, Spaans of Mexicaans of Provençaals. We hadden enorm veel over.
Repeat en ik gingen boven werken en het restaurant liep vol. Toen ik uren later beneden kwam, zag ik Chanson nog steeds beneden. Hij was ’s ochtens om 10 uur begonnen! Ik zei: ‘Hé klootzak (zo praten wij in de keuken), ben je er nog steeds?’ ‘Ja, maar dadelijk ga ik hoor, bitch!’ Toen ik een uur later beneden kwam, hoorde ik een vreemd geluid. Ik ging kijken bij de waszakken en ja hoor, daar lag Chanson met zijn hoofd tegen de waszakken. Hij was in slaap gevallen. Zijn mond stond open en er kwam een snurkend geluid uit, terwijl het speeksel langs zijn mondhoeken omlaag stroomde. Ik legde wat theedoeken en servetten over hem heen en liep op mijn tenen weg.
De telefoon ging. Het was Beer. ‘Kun je me halen? Ik zit op het politiebureau in Zuid.”Op het politiebureau in Zuid, wat is er gebeurd?’ ‘Het is een beetje uit de hand gelopen gisteren.’ ‘Maar hoe kan dat nu, in Zuid, in het Concertgebouw?’ Ik begon me behoorlijk ongerust te maken. ‘Ik voelde me niet zo lekker en toen ging ik buiten een luchtje scheppen in de rust.’ ‘En toen en toen?’ zei ik ongeduldig. ‘Toen liep ik het Museumplein op en ik ging daar op een bankje zitten. Terwijl ik daar zat, zag ik opeens Marco van Basten lopen!’ ‘Marco zat toch op de bank bij de wedstrijd in Duitsland? Dat kan toch niet?’ ‘Ja, dat dacht ik ook, dus ik rende héél hard achter hem aan. Het volgende moment werd ik wakker bij de politie.’ ‘Maar wat is er dan gebeurd?’ ‘De politie had me gevonden. Ik was bewusteloos. Ze hebben me meegenomen om te horen wat er gebeurd was.’ ‘O’, zei ik opgelucht, ‘dus je hebt niet gevochten.’
Met een bonzend hart en zweet op mijn voorhoofd werd ik wakker. Ik klampte me aan het bed vast, alsof ik eraf kon vallen. Tie die die die, tie die die die, tie die die die, het was de telefoon. Ik probeerde op te staan. Ik wankelde door de kamer, op benen die niet wilden lopen. Ik was er bijna. Ik pakte de telefoon… te laat!
Langzaam zakte ik neer op de bank. Hoe laat was het dan? Negen uur… Als ik ergens een hekel aan heb, is het als mensen me bellen vóór 10 uur. Het duurde even tot het tot me doordrong, maar vandaag zou Nederland tegen Argentinië spelen. Ik moest denken aan 1978 toen onze buurman ging kijken naar de WK-finale in Argentinië en daar, ter plekke, overleed. Hij was een Joodse man die op 4 mei altijd de hele dag liep te huilen, omdat zijn hele familie uitgemoord was tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ook zijn vrouw deelde dit verleden. Samen waren ze opnieuw begonnen en hadden drie kleine kinderen. Toen hij thuis kwam, in een kist, werd hij nog posthuum onderscheiden voor zijn verdiensten tijdens de oorlog. Tie die die, de telefoon ging weer. Het was Beer. ‘Hé Beer, ben je weer een beetje bijgekomen?’ zei ik. ‘Ja, ja’, mompelde Beer. ‘Waar ga je vanavond kijken?’ zei ik. ‘In het concertgebouw! In de concertzaal wordt de wedstrijd héél groot geprojecteerd en dan komt die bandoneonman, je weet wel, Carel Kraayenhof, spelen, die zijn ziel aan de commercie verkocht heeft. Hij speelt eerst bij de opening van de wedstrijd in Duitsland en daarna vliegt hij met een helikopter naar het Concertgebouw.’ Nou, gekker moet het niet worden: voetbal in het Concertgebouw’, zei ik en ik veegde het laatste zweet van mijn voorhoofd.